Claus & Partners - Privé detective

Betrapt op Fraude, een onthullende blik achter de schermen van een detectivebureau door Jeroen Wils

Betrapt op Fraude, een onthullende blik achter de schermen van een detectivebureau door Jeroen Wils

EEN AANGIFTE OP TIEN IS GESJOEMEL
08/11/2007

 
De grauwe graansilo’s steken schril af tegen de blauwe zomerlucht. De in bruine steen opgetrokken molengebouwen geven de hele site iets troosteloos en dringends.
 
Het is een op elkaar gepakt geheel van bloemsilo’s en pakuizen, met beneden aan de spoorweg de verlaadstations v oor rail- en wegtankers. Langs de kade staat een hoge kraan en een buizeninstallatie waarmee het graan uit de rivierschepen wordt gezogen. In de maalderij Euromout in Zwijndrecht werken honderd vijftig mensen, de molens malen voortdurend, dag en nacht. Een volcontinuproductie die een modern-industriële opzet noodzaakt, met buffers aan de in- en uitgang. Het graan wordt in scheepsladingen aangevoerd en de bloem wordt per treinwagens en vrachtauto’s naar de verschillende bestemmingen uitgereden. Via een ingenieus systeem van baggerketens, schroeven zonder einde en een transportband worden de granen van de gelijkvloerse naar de tweede verdieping van de molen getransporteerd en naar grote silo’s gestuurd, met een totale capaciteit van 1680 ton. Vóór het graan in de silo’s gaat, wordt het gezeefd, geventileerd en stofvrij gemaakt, zo kan het optimaal bewaard worden. Vanuit de silo’s wordt het graan naar een grote machine gestuurd, de tartare of de wanmolen. Dit is een combinatie van een sorteermachine en een ventilator : door trillingen worden de granen gescheiden van vreemde lichamen en door een luchtstroom worden stofdeeltjes, kaf en stro weggezuiverd. Er zijn twee soortgelijke machines : een voor de rogge en een voor de gerst. Dat is nodig omdat de twee granen niet hetzelfde zijn van maat en van vastheid. Dan wordt het graan naar twee molens getransporteerd om er meel van te maken. Het resultaat is twee soorten meel die men in de vereiste proporties mengt en dan in zakken van 250 kilogram verpakt.
Op die woensdag, 30 september, zijn in een van de droogtorens onderhoudswerken aan de gang. Rudi Bruninx, 37 jaar, is productiearbeider en heeft de onzalige taak om een van de tanks uit te kuisen. Hij is een wat corpulente man, kalend en heeft geen al te beste fysieke conditie. Zwetend wringt hij zich door het krappe mangat om in de kleine ruimte te geraken. Hij draagteen wit stofmasker, en een grijze overall. Hij heeft een kleine bidon met een chemisch product bij zich om de wanden van het reservoir te reinigen.
Plots voelt hij een branderig gevoel in zijn neus en op zijn borst. Hij komt om en ziet hoe de darm naar de tank is osgeraakt en er onverdund P3-oxonia in de nauwe ruimte stroomt. Het gaat om een combinatie van perazijnzuur en waterstofperoxide, een uiterst schadelijke stof die in de cosmetische, farmaceutische, chemische en biochemische industrie gebruikt wordt om bacteriën, schimmels en gisten te bestrijden. Bruninx kent het gevaar van een langdurige blootstelling aan het goedje en probeert zo snel mogelijk door het mangat te ontsnappen. Toch kan hij niet vermijden dat hij enkele malen het chemisch middel inhaleert. Eens hij de nauwe ruimte verlaten heeft, valt hij quasi bewusteloos neer. Hij is alleen op de verdieping en zijn toestand verergert. Hij moet braken, hoe voelt alsof zijn luchtwegen afbranden, zijn neus en ogen lopen. Na twintig minuten heeft hij genoeg kracht om tot bij de lift te geraken en deze naar beneden te sturen. Een ploegbaas vindt hem daar bewusteloos. Toevallig is de arbeidsgeneesheer in het bedrijf, deze stuurt Bruninx meteen met een ziekenwagen naar het Sint-Annaziekenhuis in Beveren-Waas. Op weg naar het hospitaal krijgt de arbeider zuurstof toegediend, op de afdeling intensieve zorgen worden op verschillende tijdstippen radiografieën genomen van de borstkas. De specialisten gaan ervan uit dat Bruninx een ernstige aantasting van het luchtwegenstelsel heeft opgelopen. Hij moet één dag op de spoedopname blijven, daarna nog drie dagen op een kamer, ter observatie. Na zijn ziekenhuisopname stuurt de behandelende geneesheer hem naar het universitair ziekenhuis van Edegem en later naar Gasthuisberg in Leuven, voor verder onderzoek.
De volgende maanden blijft Rudi Bruninx thuis met ziekteverlof. Hij ondergaat een hele reeks medische onderzoeken en krijgt een specifieke behandeling. Na vier maanden, op 3 februari, gaat Bruninx weer aan de slag bij Euromout, hij krijgt lichter werk, zo wordt beloofd. Maar een dag later, op 4 februari, verliest de arbeider opnieuw het bewustzijn en wordt hij weer voor één dag opgenomen in het ziekenhuis.
Hij beweert dat hij geen enkele inspanning meer kan doen en vraagt een blijvende arbeidsongeschiktheid aan. Hij kan niet meer fietsen of wandelen, laat staan fysieke arbeid verrichten. Er wordt een voorlopige ziekte-uitkering toegekend, maar de verzekeraar vraat verder medisch onderzoek om na te gaan of Bruninx inderdaad blijvend arbeidsongeschikt is. In de maanden die volgen passeert de ene arbeidsgeneesheer na de andere. Er worden longfunctiemetingen uitgevoerd, waaruit blijkt dat er inderdaad afwijkingen zijn. Toch wordt er geen enkel zichtbaar longletsel vastgesteld. Hij mag dan wel een ademhalingstrauma hebben opgelopen, blijvende beschadigingen aan de longen zijn er niet, hoogstens een verzwakking van de ademhalingsspieren. De dokters vinden dan ook een enkele aanwijsbare reden om een blijvende arbeidsongeschiktheid uit te spreken. Maar Bruninx houdt vol dat hij niet meer uit de voeten kan. Hij blijft voorlopig thuis met ziekteverlof.
Boven het industrieterrein hangt een grote witte wolk. Van op afstand lijkt de containerterminal aan de mistige einder op een veelkleurige blokkentoren. De kranen zijn niet vierpotige spinnen die tussen de containers laveren. Het dorp nabij de Gentse zeehaven lijkt te zullen verdwijnen onder het opgespoten zand. En platgewalst door de grote industrieën. Mooi moet het hier vroeger zijn geweest. De brede monding van de stroom met zijn schorren, de robuuste stenen windmolens bovenop de dijk, het uitzicht over de oud, weidse polders. Vandaag helpen de gigantische bouwwerken de bezoekers koers te houden tussen de industriegebieden en over de troosteloze zandvlakten. Overal rond het dorp rukken de raffinaderijen op, steeds dichterbij komen loodsen, rangeerterreinen, rokende schoorstenen.
Maar vandaag kijkt de gemeenschap niet naar zijn industriële horizon. Het vriendelijke dorp is versierd met veelkleurige vlaggetjes en vaandels, een feestelijke sfeer ter gelegenheid van de jaarlijkse straatfeesten. De boomrijke pleintjes lijken zo weggeplukt uit een Zuid-Frans dorpje. De zomerzon werpt haar stralen door het dikke bladerdek, twee oudere mannen zitten op een bankje gezellig te keuvelen. Het is hartje zomer, 7 augustus, en bloedheet. ’s Ochtends ligt het dorpsplein achter de hoge rivierdijk er nog verlaten bij. Maar allengs wordt het drukker en komt uit de richting van de kerk een kleine processie. Mannen met gele zuidwesters en rubberen broeken tot onder de oksels dragen vlaggen met de Vlaamse leeuw, gevolgd door een drietal priesters met fraai geborduurde kazuifels. Aan de havenkade heft het Nelekoor ‘Lieve Vrouwe der Schone Schelde, Moeder uit het Hemelrijk, tronend op een Scheldedijk’ aan. Op de bankjes op de dijk kijken de inwoners naar de voorbijglijdende zeeschepen. Ook de jachthaven viert mee. De opkomende vloed heeft de vele schepen en scheepjes losgeweekt van de modderige bodem. Er vormt zich langzaam maar zeker een bonte rij van pleziervaartuigen, zeilscheepjes, jollen, sleepbootjes. Zelfs een enkele kano dobbert mee. Aan de waterkant dromt het publiek samen. De pastoor arriveert – verrassend – gezeten op de voorbank van een grijze bestelbus, voorzien van een goed gevulde wijwateremmer. Hij spoedt zich, kennelijk onder de indruk van de grote schare vaartuigen, naar het plankier dat speciaal voor de gelegenheid is opgetrokken langs de kant van de haven. Dan zet de rij wachtende schepen zich in beweging. Eén voor één draaien de schippers hun vaartuigen langs het plankier. Telkens neemt de pastoor voorzichtig wat water uit de emmer, laat de kwast even uitdruppen, houdt hem voor zich boven het water en sprenkelt symbolisch enige druppels richting het vaartuig. Op het dorpsplein voor het gemeentehuis stroomt een honderdtal mensen bijeen. De schepen voor Feestelijkheden houdt een speech en dankt de dorpelingen voor hun talrijke opkomst. Uit een zijstraat komt een twintigtal muzikanten gemarcheerd, op het ritme van de trommelaars. Vooraan loopt de vaandeldrager, gevolgd door een zwaarlijvige man met een grote trom. Dan is er de dirigent, hij loopt achteruit met zijn gezicht naar zijn muzikanten, steekt de linkerarm omhoog en geeft een heftig teken. De fanfare begint te spelen, de dirigent zet zijn trompet aan de mond en speelt ‘De Garde’. Met fikse stappen marcheert de fanfareleider aan de kop van de stoet. Hij trekt de benen hoog op, en zwaait aan het einde van het muziekstuk met zijn arm om de muzikanten samen te laten stoppen. De dirigent-trompetspeler is Rudi Bruninx.
Jan Claus legt de telefoon neer en roept Michel De Kort. ‘Ik heb net telefoon gekregen van de verzekeringsmaatschappij. Een van de ex-collega’s van Rudi Bruninx beweert hem op tv gezien te hebben, tijdens een programma op Canvas. Het was een reportage over een dorpsfeest aan de Gentse zeehaven en Bruninx zou er op kop van een fanfare trompet hebben gespeeld!’ ‘Dat meen je niet? Vraag onmiddellijk die band op bij de VRT. Beter bewijsmateriaal kunnen we niet hebben’. Rudi Bruninx is al jaren dirigent en trompetspeler bij de fanfare Sint-Cecilia. Zijn aanwezigheid op de jaarlijkse dorpsfeesten is hoogst opmerkelijk. Bruninx is nu al bijna een jaar thuis met ziekteverlof en beweert geen enkele inspanning te kunnen doen. Bovendien verklaarde hij al eerder aan de arbeidsgeneesheren dat hij gestopt was met zijn activiteiten bij de fanfare. De verzekeringsonderneming vraagt aan een geneesheer-specialist om de video te beoordelen. Tijdens een onderhoud in de kantoren van de maatschappij licht de dokter zijn bevindingen toe. Ook detective Jan Claus is aanwezig.
‘Bij trompetspelen ontwikkelt zich een relatief hoge druk in de luchtwegen. Door deze druk kan maar de helft van de vitale capaciteit worden gebruikt. Als we kijken naar de gemeten longfunctie bij mijnheer Bruninx, dan moeten we zeggen dat trompetspel onmogelijk is. Zijn vitale capaciteit is daarvoor te klein.’ De geneesheer probeert zijn medische bevindingen zo eenvoudig mogelijk uit te leggen. ‘En hoe betrouwbaar zijn die longfunctiemetingen dan ?’ wil Claus weten. ‘We moeten bij longfunctiemetingen altijd rekening houden met de meewerking van de patiënt. Hij kan altijd wat faken’. ‘Is het mogelijk dat Bruninx zijn longproblemen kunstmatig naar voren heeft gebracht ?’ ‘Dat is goed mogelijk. Een veel betrouwbaardere meting is de ergospirometrie, of de inspanningstekst. Bruninx heeft zo’n test ondergaan aan de Universiteit van Gent. Die was maximaal en vrijwel normaal. Hierdoor lijkt me het bestaan van een belangrijke longafwijking erg onwaarschijnlijk.’ Bruninx wordt uitgenodigd in het kabinet van de arbeidsgeneesheer. Het onderhoud wordt bijgewoond dor een geneesheer van het ACV, de vakbond waarbij Bruninx aangesloten is, een advocaat van het ACV, een geneesheer van de Christelijke Mutualiteiten, een advocaat van de verzekeringsmaatschappij en een onderzoeker van De Kort & Partners. ‘Kan u mij zeggen of u dat bent, mijnheer Bruninx, die man met de trompet ?’ Er klinkt iets van overwinning in de stem van de onderzoeker. ‘Euhm, ja inderdaad…’ Bruninx is even uit zijn lood geslagen, maar herstel zich snel. ‘Maar ik speelde niet echt !’. ‘Hoezo ?’ ‘Ik playbackte maar wat. Ik wilde er absoluut bij zijn op het dorpsfeest, dat is een jaarlijks hoogtepunt voor ons fanfarekorps. Daarom deed ik maar alsof. Ik zette mijn instrument wel aan de mond, maar ik blies niet echt.’ Er wordt weinig geloof gehecht aan de verklaring van Bruninx. Als hij het dokterskabinet verlaten heeft, heeft de geneesheer van de verzekeringsmaatschappij zijn conclusie klaar. ‘Om geen gezichtsverlies te lijden, kon hij niet anders antwoorden dan dat hij deed alsof tijdens de optocht. Ik stel me de vraag of hij ook tijdens de longfunctiemetingen gedaan heeft alsof.’ De verzekeringsmaatschappij vraagt aan het detectivebureau De Kort & Partners om Rudi Bruninx te observeren. Ze wil bijkomende bewijzen dat de arbeider wel degelijk in staat is om bepaalde inspanningen te doen. Het is dan eind juni, bijna twee jaar na het ongeval bij Euromout. Met de videocamera in de aanslag gaat onderzoeker Hugo op stap. Bruninx woont in de Vissersstraat in Lovendegem. Een smal straatje, eenrichtingsverkeer, met kleine arbeiderswoningen zonder voortuin. Naast de woning van Bruninx is er een smalle oprit die naar een garage leidt. Het is niet mogelijk om lang halte te houden voor het huis, het zou in het verlaten straatje onmiddellijk argwaan wekken. Hugo stelt zich verdekt op in een zijstraat, van waar hij de woning in de gaten kan houden. Het huis lijkt op het eerste zicht verlaten, de gordijnen zijn dicht, er zijn geen vliegramen ondanks het goede weer. Terwijl de detective in zijn auto zit te wachten, wint hij telefonisch inlichtingen in. De onderzoeker komt te weten dat de arbeider rondrijdt met een Mazda 626 en dat er ook een motorfiets Honda op zijn naam staat ingeschreven. Bruninx zou ook zijn telefoon hebben laten afsluiten. Om te controleren of hij nog wel degelijk in Lovendegem woont, belt de onderzoeker met een smoesje naar een buurvrouw. Zij bevestigt dat Bruninx daar nog steeds woont, hij zou zijn telefoon vervangen hebben door een GSM.
Een week later doet Hugo een nieuwe observatie. Hij is al om acht uur ’s morgen op post, en deze keer lijkt er wel iemand in de woning aanwezig. De gordijnen zijn open en er staan vliegenramen in de bovenste ramen van het huis. Na een lange voormiddag gaat om kwart na twaalf ‘s middags eindelijk de deur open en zet Bruninx zijn motorfiets buiten. Hij zet zijn help op en vertrekt met de motorfiets. Hugo weet dat Bruninx in de namiddag een afspraak heeft met een geneesheer in Hansbeke, dus rijdt hij alvast naar het dokterskabinet. Om veertien uur arriveert Hugo in de Voordestraat. Wanneer hij uit de wagen stapt om de buurt te verkennen, ziet hij Bruninx in zijn richting wandelen. Hij stopt voor de dokterspraktijk en gaat naar binnen. Hugo gaat op de nabijgelegen parkeerterreinen op zoek naar de motorfiets, maar zonder succes. Rond zestien huur verlaat Bruninx het kabinet en wandelt naar een parking aan het station. Daar staat zijn voertuig. Op de oprit naar de parking beklimt hij met enkele flukse stappen een drie meter steile wand en kruipt behendig over een muurtje. Verbazend, voor iemand die beweert niet de minste inspanningen te kunnen doen, bedenkt Hugo. Bruninx loopt naa rzijn motorfiets en rijdt weg.
Drie dagen later besluit detective Hugo nog een observatie te doen op de dorpsfeesten, hetzelfde evenement waar Bruninx een jaar eerder werd opgemerkt. Ook dit jaar is er weer heel wat volk samengestroomd. Als Hugo arriveert, is de ceremonie net begonnen. Aan de haven is bij wijze van altaar een kleine jol geplaatst. Een gehoor van zo’n honderd vijftig dorpsbewoners luistert aandachtig, op plastieken klapstoelen. Een priester gaat voor in het gebed. Dan volgt de hulde aan de overledenen van de zee en de stroom. Hugo kijkt aandachtig of Bruninx niet tussen de aanwezigen staat, maar ziet hem niet. Langs de Havenweg is er een rommelmarkt aan de gang. De garages van de woningen zijn volgestouwd met oude spullen, buren en toeristen kuieren voorbij. Plots ziet de onderzoeker Bruninx staan. Hij draagt een bleke short, een blauw T-shirt en een blauwe pet. Hij verkoopt oude spullen aan de voorbijgangers, en geeft zeker niet de indruk langdurig met ziekteverlof te zijn. De detective maakt kort enkele videobeelden, maar het is onmogelijk om de man langdurige te observeren. Om veertien uur wordt de rommelmarkt gesloten en verdwijnt Bruninx met enkele oudere mannen in het dorp. Hugo kijkt nog uit naar de fanfares die de hele namiddag voorbij marcheren, maar ziet Bruninx niet mee oplopen. Mogelijk is hij afgeschrikt door de videobeelden van de vorige dorpsfeesten.
De Kort & Partners blijft Bruninx nog een tijdje in de gaten houden. Om nog meer te weten te komen over de man schakelt Hugo een ‘vertrouwelijke bron’ in. Het gaat om iemand die sinds een paar maanden in de buurt van Bruninx woont. Hij moet in opdracht van het detectivebureau zijn oren te luisteren leggen in het milieu van betrokkene, het risico op ontmaskering is zo veel minder groot. Via een lid van de fanfare komt de getuige te weten dat Bruninx nog steeds dirigent is bij de fanfare Sint-Cecilia. Of hij nog trompet speelt, wilde de muzikant niet zeggen. Hij is op de hoogte van het ongeval en wil zich liever niet mengen in de discussie tussen Bruninx en de verzekeringsmaatschappij. De getuige verneemt wel dat de arbeider een moeilijk man zou zijn, iemand ‘die twee stenen kan doen vechten’. Hij zou met de helft van zijn familie ruzie hebben. Verder zou hij recent gewerkt hebben in een doe-het-zelf-zaak maar zou daar ontslagen zijn omdat hij lui was. Detective Hugo doet navraag in de winkel, maar de zaakvoerder ontkent dat Rudi Bruninx daar gewerkt heeft. Wellicht was hij niet officieel ingeschreven en dacht de zaakvoerder dat de onderzoeker iemand van de sociale inspectie was.
Tot slot besluiten de detectives om nog een observatie te doen tijdens een van de repetities van de fanfare Sint-Cecilia. De onderzoekers plaatsen een bestelwagen voor de ramen van de zaal, achter het café waar het muziekkorps wekelijks oefent. Detective Hugo en een deurwaarder nemen plaats in het café en zien Bruninx binnenkomen en naar de zaal stappen. Vanuit de bestelwagen kan het doen en laten in het aparte zaaltje goed worden geobserveerd. Zo is duidelijk te zien hoe Bruninx drukdoende is met het geven van instructies, maar trompetspelen doet hij niet.
Toch is het voor de verzekeringsmaatschappij duidelijk dat Rudi Bruninx veel meer kan dan dat hij doet uitschijnen tijdens de medische onderzoeken. Op basis van de rapporten van het detectivebureau weigert de verzekeringsmaatschappij om een blijvende invaliditeit toe te kennen.
 
alle privé-detective weetjes | detective archief